Waarom banken vroeger weinig geld manipuleerde. #11


Deze les gaan we ontdekken hoe een vrije markt geldmanipulatie door banken verhindert. We gaan zien waarom het in het verleden moeilijk was voor fractionele banken om geld te creëren uit het niets en hoe de Staat misbruik maakte van bankcrisissen die het mee veroorzaakte. 

Ondanks de interventies van de Staat door de goedkeuring van fractioneel bankieren waren er nog steeds marktkrachten aan het werk die de banken aan banden legden. Dit had twee oorzaken:

Factor 1: het beperkte klantenbestand.

Met dit probleem kreeg elke fractioneel bankier af te rekenen. Zo worstelde elke bankier met het probleem dat het geld dat door henzelf gecreëerd werd niet bij hun eigen klanten bleef. Dit klinkt een beetje zwevend, maar het komt op het volgende neer: stel je voor dat er twee banken bestaan in een samenleving, bank Q en bank Z. Deze banken ontvangen beide van spaarders 500 euro. Doordat beide fractionele banken een andere ratio hanteren, zullen beide banken een verschillend bedrag uitlenen. Zo houdt bank Q een ratio van 1:2 aan, wat betekent dat bank Q van dat spaargeld 50% als reserve houdt. In dit geval betekent dit 250 euro. Bank Z neemt meer risico en hanteert een ratio van 1:10. Dit betekent dat ze 90% van het spaargeld willen uitlenen, wat neerkomt op 450 euro. Je ziet dus meteen hoe er een onevenwicht is ontstaan tussen beide banken op het gebied van geldcreatie. Dit onevenwicht zal problemen veroorzaken. Stel: bank Z leent die 450 euro uit aan mijnheer Koen. Koen gebruikt dat geld om een camera te kopen bij mevrouw Puck voor 450 euro. Stel dat Puck bij bank Z bankiert. Dan is er in dit scenario geen probleem voor bank Z. Bank Z verliest namelijk geen reserves in dit geval. 

Om dit nog duidelijker te maken geef ik nog een voorbeeld. Stel: jij koopt op bol.com een camera en jij bankiert toevallig net als bol.com ook bij ING. Dan verandert er in dit scenario niets aan de reserves van ING. In dit geval verplaatst de bankier van ING het geld alleen intern van de ene ING-rekening naar de andere. Maar Puck bankiert in dit scenario bij bank Q. Dat betekent dat bank Z een deel van zijn reserves zal kwijtraken. Om op het voorbeeld van daarnet terug te komen: stel dat jij een camera koopt bij bol.com en bol.com bankiert bij ABN Amro en jij bij ING. Dan verplaatst de bankier van ING geld van jouw ING-rekening naar een rekening bij ABN Amro. Zo verliest ING dus reserves. 

Dit is het probleem dat ik zonet beschreef: de beperkte omvang van het klantenbestand van een bank of het probleem dat het geld dat een bank uitleent niet bij zijn eigen klanten blijft omdat niet iedereen in de wereld bij dezelfde bank zit. Dit verlies aan reserves is dus wat bank Z in dit scenario meemaakt, wat bij bank Z dus zorgt voor een verzwakking van hun positie. Maar ook bank Q doet aan fractioneel bankieren. Zij gaan ook reserves verliezen aan bank Z. Dat klopt, maar doordat bank Z een lagere reserveratio hanteert dan bank Q zal bank Z relatief meer reserves verliezen. Stel: bank Q leent die 250 euro uit aan mevrouw Jip. Zij heeft namelijk geld nodig voor een nieuwe viool, die ze koopt bij Gijs. Nu heeft Gijs die 250 euro en die bankiert even voor de simpelheid bij bank Z. Dan zie je dat bank Z door hun riskantere reserveratio meer geld zal verliezen dan bank Q. 

Door dit principe was het voor bankiers moeilijk om excessief veel geld te creëren in een vrije markt. Niet alle banken creëerden namelijk op hetzelfde tempo geld. Zo had je conservatieve banken die erg voorzichtig omgingen met het geld van hun spaarders, zoals in dit scenario bank Q. Dit zette een rem op de geldcreatie door de meer riskante banken, zoals bank Z, omdat een riskante bankier wist dat hij dan reserves zou verliezen aan conservatieve banken, zoals we in dit voorbeeld hebben kunnen zien.

Factor 2: Vertrouwen in banken. 

Een volgende factor die een rem zetten op de geldcreatie was het vertrouwen in banken. Fractioneel bankieren berust namelijk op vertrouwen, omdat een bank nooit al het geld van spaarders in de kluis heeft liggen. Op het moment dat spaarders hun vertrouwen verliezen en hun geld terug willen, is het dus game over voor een bankier. Alleen is een verlies aan vertrouwen inherent aan dit type bankieren. Fractionele banken creëren namelijk de boom-bustcyclus. In de vorige les hebben we al gezien wat er gebeurt als een bank fictieve kredieten creëert uit het niets. Het creëert zo op korte termijn groei, wat dan weer leidt tot een crisis. In crisistijd verloren incompetente banken dan veel geld, omdat schuldeisers hun schuld niet meer konden afbetalen (zoals we in les 10 zagen met de kledingmaaksters). Door het roekeloze gespeculeer van bankiers en door geld te creëren uit het niets veroorzaakten bankiers problemen in de economie, wat vaak als gevolg had dat er bankruns ontstonden. 

Je ziet dus dat een bank run een erg gezond fenomeen is. Het bestraft de bankier die het kapitaal van de samenleving verspilt met speculatieve praktijken en verplicht bankiers voorzichtig te zijn met geldcreatie. Op die manier kon een bankier, ondanks het feit dat kunstmatige geldcreatie door de Staat legaal was, in de 19de en begin 20ste eeuw minder economische schade aanrichten in de samenleving. Dit gegeven reflecteert zich bijvoorbeeld in de consumentenprijzenindex van de VS . Zo zie je dat in de 19de en begin 20ste eeuw de prijzen stabiel waren [1]. 

[1] ConsumentenprijsIndex, Verenigde Staten 1800 - 1910

ConsumentenprijsIndex, Verenigde Staten 1800 - 1910

Prijzen gingen toen zelfs omlaag, hoewel er in die periode een hevige burgeroorlog woedde. Dit kwam omdat bankiers weinig geld konden creëren uit het niets. Deze situatie staat in schril contrast met de rest van de 20ste eeuw en het begin van de 21ste eeuw [2]. 

[2] ConsumentenprijsIndex, Verenigde Staten 1800 - 2017

ConsumentenprijsIndex, Verenigde Staten 1800 - 2017

Het feit dat banken slechts weinig geld konden creëren, reflecteert zich ook in de omvang van de Amerikaanse staatsschuld. Zo zie je dat de Amerikaanse staatsschuld in percentage van het bbp relatief stabiel was en zelfs daalde tussen 1790 en 1860 [3]. 

[3] Staatsschuld Verenigde Staten, in % BBP 1790 - 1910

Staatsschuld Verenigde Staten, in % BBP 1790 - 1910

De enige reden waarom we hier een toename zien, was het uitbreken van de Amerikaanse burgeroorlog maar ook die toename is niet te vergelijken met de toename van schuld in de loop van de 20ste en 21ste eeuw [4].

[4] Staatsschuld Verenigde Staten, in % BBP 1790 - 2016

Staatsschuld Verenigde Staten, in % BBP 1790 - 2016

Toch waren een aantal machthebbers hier niet blij mee in het verleden. Ze vonden deze limieten op de geldcreatie uit de 19de en begin 20ste eeuw maar niks. Als bankier wilden ze zoveel mogelijk geld creëren uit het niets zonder angst voor een bank run. De Staat wou dan weer dat banken meer geld konden creëren uit het niets, want zo konden ze zich dieper in de schulden steken, meer kunstmatig geld uitgeven en zo meer macht hebben over de bevolking. Om deze reden misbruikten machthebbers dan ook de problemen die veroorzaakt werden door fractioneel bankieren, hoewel de Staat zelf het immorele fractioneel bankieren mogelijk had gemaakt. 

Het ging, zoals ik daarnet al heb aangegeven, systematisch fout met die fractionele banken en er waren dan ook veel bankcrisissen in de 19de eeuw. De logische conclusie zou dan ook zijn: “Laten we terugkeren naar stabiliteit, vrijheid en kapitalisme. Laten we stoppen met het toestaan van fractioneel bankieren en laten we terugkeren naar moreel bankieren, waarbij banken geen geld meer mogen manipuleren”. Aan de zijde van de machthebbers klonk het dan weer: “Die verschrikkelijke vrije markt en die wilde banken brengen het geld van de spaarder in gevaar. Laten we een instituut oprichten dat ervoor zal zorgen dat we deze problemen nooit meer opnieuw krijgen”.

Dit instituut was de centrale bank. Maar een centrale bank is een bank voor bankiers. Het was deze bank die nog meer geldcreatie mogelijk maakte. Hoe dit precies in zijn werk ging, zal je in de komende twee lessen leren. 

Tot slot, om deze les goed af te sluiten, een kleine opsomming van wat we deze les hebben gezien:

•    Het beperkte klantenbestand van een bank maakt het moeilijk voor een fractioneel bankier om geld te creëren uit het niets, omdat een fractioneel bankier weet dat hij failliet zal gaan als hij meer geld creëert dan andere banken. 

•    De Staat, die de problemen met fractioneel bankieren zelf had veroorzaakt, wou dit probleem oplossen door een centrale bank op te richten 

•    Kunstmatige geldcreatie door een fractioneel bankier creëert een boom-bustcyclus. Dit zorgt ervoor dat banken uiteindelijk veel geld verliezen en zo gedwongen worden te stoppen met kunstmatige geldcreatie.

Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.