Hoe een economie groeit, en hoe een economie krimpt. #10


Deze les gaan we erachter komen wat de gevolgen zijn als banken geld creëren uit het niets. We gaan zien wat de kracht is van sparen, hoe bankiers economische crisissen kunnen veroorzaken en hoe bankiers spaarders en gepensioneerden armer kunnen maken.

De vraag die velen van ons hebben is: wat is nou het probleem met geld creëren uit het niets? De problemen zijn als volgt:

Het eerste probleem is dat geldcreatie een economische crisis verwekt. Dit gebeurt als volgt: als je geld creëert uit het niets, verstoor je de marktprijs van geld. De marktprijs van geld is het rentepercentage dat je betaalt om geld te lenen. De prijs, zoals we weten, de uitkomst van vraag en aanbod. In relatie tot geld betekent dit: sparen mensen meer, dan gaat de rente omlaag. Sparen mensen minder, dan gaat de rente omhoog. Sparen betekent dat je koopkracht van vandaag verplaatst naar de toekomst. Als je geld hebt, geeft dit jou de mogelijkheid om te kunnen consumeren. Maar door te sparen, kun je op twee manieren beloond worden.

De eerste manier is dat je een rentepercentage ontvangt. Dit ontvang je in een markteconomie om twee redenen. Ten eerste word je beloond voor het risico dat je loopt. Omdat de toekomst onvoorspelbaar is, word je beloond voor het risico dat je neemt. Ten tweede word je beloond voor het feit dat je bereid bent huidige consumptie op te offeren voor toekomstige consumptie. Het idee hierachter is dat je liever nu goederen hebt dan goederen over vijf jaar. Je kunt de rente zien als een korting die je krijgt op toekomstige consumptie.

De tweede manier waarop je beloond wordt door te sparen, is dat je meer welvaartscreatie mogelijk maakt. Als jij je geld niet gebruikt om te consumeren, dan maak jij je geld beschikbaar voor ondernemers. Het verschil tussen een consument en een ondernemer is dat een ondernemer niet gefocust is op consumptie. Een ondernemer wil door middel van zijn activiteiten meer consumptie mogelijk maken. Dus hij gebruikt, in tegenstelling tot een consument, middelen voor productieve activiteiten. Hierdoor gaat de koopkracht van de samenleving als geheel omhoog. Hoe die koopkracht precies omhoog gaat door te sparen, leg ik uit aan de hand van het volgende verhaal:

Wij Nederlanders geven veel van ons geld uit aan kleding en horecabezoek. Stel dat we besluiten om meer te gaan sparen. Dan gaat ons huidige consumptieniveau omlaag. Dit zorgt er dan bijvoorbeeld voor dat er minder vraag is naar de diensten van restaurants en kledingwinkels. Dit heeft dan weer tot gevolg dat sommige obers en verkopers ontslagen zullen worden en er minder energie in de vorm van bijvoorbeeld elektriciteit en gas zal worden verbruikt.

Deze bespaarde middelen of, anders gezegd, kapitaal verschuift de consument naar de ondernemers. Dit klinkt abstract, maar dit gaat als volgt: door minder te consumeren, hebben Nederlanders meer geld op hun spaarrekening. Zoals we net zagen: een hoger aanbod aan geld betekent een lagere rente. Deze lagere rente geeft aan een ondernemer het signaal dat hij zijn businessplan nu kan uitvoeren. Stel: je hebt een producent die 1 miljoen euro nodig heeft voor het bouwen van een fabriek van zonnepanelen. Met een rentestand van 10% betekent dit dat hij per jaar 100.000 euro moet betalen aan rentekosten. Laten we zeggen dat hij volgens zijn berekeningen maar 75.000 euro winst kan maken. Dan is dit project tegen een rentestand van 10% niet rendabel, want die ondernemer verliest dan 25.000 euro per jaar. Dankzij de sparende Nederlander gaat de rente nu omlaag: laten we zeggen naar 5%. Dan komt deze ondernemer tot de vaststelling: nu kan ik wel 25.000 euro winst maken. Als jij je zorgen maakt om die ontslagen obers en winkeliers: maak je niet druk. Die arbeidskrachten zijn nu ook beschikbaar om te werken bij de zonnepanelenfabrikant.

Zo zie je maar: hoe meer de economie groeit, hoe meer de productiecapaciteit en kennis in Nederland toeneemt. In dit geval, door de betere zonnepanelen, zal elektriciteit ook goedkoper worden. Dit betekent dat mensen minder geld uit hoeven te geven aan energie en dus meer geld over hebben voor andere producten. Het eindresultaat: Nederland bezit nu meer productiecapaciteit, meer zonnepanelen en produceert meer elektriciteit, met als gevolg dat we nu vaker naar restaurant en kledingwinkels kunnen gaan dan voorheen.

Dit is dus hoe een economie groeit: minder consumptie betekent meer spaargeld. Meer spaargeld betekent meer kapitale investeringen. Meer kapitale investeringen betekent een hogere productiviteit en een hogere productiviteit betekent meer welvaart.

Als wij denken aan het land dat de afgelopen decennia de meeste economische groei heeft gekend, dan zullen we vast en zeker denken aan China. Wat we gemakkelijk kunnen vaststellen, is dat China, in vergelijking met drie decennia terug, veel meer spaart [1].

[1] Chinese brutospaargeld in % van BBP

Chinese brutospaargeld in % van BBP

Hier kun je zien dat de gemiddelde Chinees, in percentage van het bbp, ook veel minder consumeert dan vroeger [2].

[2] Chinese huishoudelijke consumptie uitgave in % van BBP

Chinese huishoudelijke consumptie uitgave in % van BBP

Hier zie je de economische groei die China heeft gekend de afgelopen decennia- [3]. Deze groei is voornamelijk mogelijk gemaakt, door de sparende Chinees.

 [3] Chinese economische groei in %

Chinese economische groei in % 1980 2018

Als we dan denken aan een land dat economische gezien niet echt succesvol is geweest, kunnen we denken aan een Afrikaans land als Burundi. Hier zie je dat de Burundezen heel weinig hebben gespaard de afgelopen jaren.

Momenteel maakt hun bruto spaargeld slecht 2% [4] van de algehele economie uit; een groot contrast met de 48% van China. 

 [4] Burundese brutospaargeld in % van BBP

Burundese brutospaargeld in % van BBP

Hier zie je het consumptieniveau in verhouding tot het bbp. Je ziet dat consumptie bijna 90% uitmaakt van het bbp; ook een groot verschil met de 37% van China [5].

[5] Burundese Huishoudelijke consumptie uitgave in % van BBP

Burundese Huishoudelijke consumptie uitgave in % van BBP

Al deze gegevens gaan dus in tegen het gangbare idee dat het consumptie is dat de economie doet groeien. Dit idee wordt bijvoorbeeld vertolkt door mensen die beweren dat de overheid de economie moet stimuleren door schulden aan te gaan, dat oorlog goed is voor de economie of dat het nadelig is voor de Nederlandse economie, als het Nederlands elftal zich niet plaatst voor het WK. Maar dit is klinkklare onzin. Denk er eens op deze manier over na: waarom leven er in India kinderen op straat en waarom hebben sommige mensen in Afrika honger? Waarom rijden Nederlanders meer met de auto dan Cambodjanen? Waarom is Congo veel armer dan Nederland? Heeft dat ermee te maken dat arme mensen in die landen niet weten hoe je moet consumeren? Zou je minder dakloosheid hebben in India, als India zich vaker voor een WK voetbal had geplaatst? Was Congo rijker geweest als ze meer oorlog hadden gekend?

Natuurlijk niet: wij zijn rijker, omdat in Nederland ondernemers, door de jaren heen, met het gespaarde geld van de bevolking zoveel kapitaal in de vorm van kennis en machines hebben kunnen opbouwen. Daarom mag je van geluk spreken dat je op deze geografische plaats geboren bent. Omdat al die kennis en kapitaal al om jou heen voorhanden is, terwijl dat in Congo veel minder het geval is. Zo kan een kind in Nederland met een krantenwijk gemakkelijk meer verdienen dan een gediplomeerde advocaat in Congo.


Als je er nog aan twijfelt dat consumptie de economie niet doet groeien, stel jezelf dan eens deze vraag: “Wat zou er gebeuren als alle consumenten morgen al hun geld zouden uitgeven? Als alle bedrijven hun winst niet zouden herinvesteren, maar zouden uitkeren zodat die vervolgens ook geconsumeerd kan worden? Zou Nederland dan een rijker land zijn?

Nu we beter begrijpen hoe een economie groeit, kunnen we ook beter begrijpen wat de problemen zijn van kunstmatige geldcreatie. Als een bank geld creëert uit het niets, dan lijkt het voor de economie net alsof er meer spaargeld beschikbaar is. Het extra gecreëerde geld van de bank verstoort namelijk het mechanisme van vraag en aanbod. Extra geld betekent een hoger aanbod aan geld en dus een lagere rente. Maar deze kunstmatig lage rente, die gecreëerd wordt door bankiers, geeft een vals signaal aan ondernemers. Ondernemers gaan er dan namelijk verkeerdelijk van uit dat er meer kapitaal beschikbaar is door de kunstmatig lagere rente, maar dat is helemaal niet het geval. Zoals we net zagen, krijg je alleen maar meer kapitaal als de bevolking meer spaart.

Dit klinkt beetje zweverig, maar ik ga jullie een verhaal vertellen om dit duidelijker te maken. Laten we even uitgaan van een economie gebaseerd op ruilhandel om de werking van kredietschepping duidelijk te maken. Stel: je hebt een visser, die om de vijf dagen de zee op gaat om te vissen. Hij vangt meestal vijf vissen. Zo heeft hij éen vis per dag nodig als voedselbron. Alleen wilt de visser erg graag een nieuw T-shirt. Dus de visser besluit om extra lang op zee te blijven zodat hij tien vissen kan vangen. Hij heeft nu tien vissen gevangen. Vijf vissen houdt hij voor zichzelf. De andere vijf vissen geeft hij aan een kleermaakster. Die vissen heeft de kleermaakster nodig om te eten tijdens het productieproces van het T-shirt. In ruil voor de vissen krijgt hij binnen vijf dagen een T-shirt.

In een geldeconomie zou dit ongeveer hetzelfde verlopen. De visser vangt tien vissen. Hij bewaart zelf vijf vissen, verkoopt vijf vissen aan de visboer voor 5 euro. Die 5 euro zet de visser op de bank. De bank leent die 5 euro dan weer uit aan een kleermaker zodat die kleermaker met die 5 euro naar de visboer kan om vis te kopen zodat hij kan eten tijdens het productieproces.

Stel dat je nu één visser en twee kleermakers zou hebben.
In een vrije markt zou de visser om die projecten van de kleermakers mogelijk te maken vijftien vissen moeten vangen: vijf vissen voor zichzelf en de andere tien vissen om te verkopen aan de visboer voor 10 euro. Vervolgens kan de visboer die 10 euro plaatsen bij de bank. Dan kan de bank beide kleermakers 5 euro lenen en kunnen die kleermakers dat geld gebruiken om vis te kopen. Zo hebben ze genoeg te eten tijdens het productieproces.

Nu komen we bij het probleem van fractioneel bankieren.
Stel: de visser vangt tien vissen, eet er zelf vijf van op en verkoopt de andere vijf vissen aan de visboer voor 5 euro. Die 5 euro plaatst de visser dan bij de bank. Maar de bank doet aan fractioneel bankieren: zo kan de bank van 5 euro 10 euro maken en die uitlenen aan beide kledingmakers. Op die manier heeft de bank een probleem gecreëerd dat een crisis zal veroorzaken. De kledingmakers worden door het gecreëerde krediet van de bank op het verkeerde been gezet en starten het project op zonder goed te beseffen dat er eigenlijk niet genoeg kapitaal beschikbaar is; in dit geval kapitaal in de vorm van vis. Ze hebben natuurlijk beiden in totaal 10 euro, maar dat verandert niets aan het feit dat er maar vijf vissen voorhanden zijn. Uiteindelijk zal de prijs van vis dus stijgen, omdat ze nu met 10 euro voor vijf vissen moeten concurreren. Er komt ooit een moment dat ze zich realiseren dat ze hun project niet zullen kunnen afmaken. Met als gevolg dat het kapitaal in de vorm van vis verbruikt werd voor niets, omdat beide kledingmakers hun T-shirts niet kunnen afmaken. Dit komt dus neer op pure kapitaalvernietiging, wat dan weer leidt tot een economische krimp.

  • Een economie groeit door middel van mensen die minder consumeren. Zo kan een samenleving kapitaal opbouwen en kan de productiviteit en de welvaart stijgen.
  • Een fractioneel bankier geeft het valse signaal dat er kapitaal beschikbaar is dat er in werkelijkheid niet is. Zo wordt kapitaal voor verkeerde doeleinden gebruikt met een economische crisis als gevolg.
  • Kunstmatige geldcreatie door bankiers leidt tot oneerlijke welvaartstransfers, waar vooral spaarders en gepensioneerden het slachtoffer van zijn.

Volgende les: hoe de vrije markt banken verplicht te stoppen met kunstmatige geldcreatie.


Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.