Hoe de staat controle pakte over geld. #8



Deze les ga ik jullie vertellen wat de Staat heeft gedaan om totale controle te krijgen over geld. 

We gaan zien wat het effect is van de wet op wettige betaalmiddelen en hoe valutanamen het volk manipuleerden. Het is erg belangrijk om te realiseren dat de Staat niet zomaar controle heeft kunnen krijgen over geld. Zo heeft de Staat een aantal manipulatieve stappen ondernomen om dit te kunnen bereiken zonder dat de bevolking echt een idee had van wat dit precies zou betekenen op de langere termijn. 

We beginnen met stap 1: de Staat verwierf een monopolypositie op geldproductie en in sommige gevallen werden de edelmetaalmijnen genationaliseerd. 

Staten verspreidden in het verleden het idee dat elk volk zijn eigen munt zou moeten hebben. Zo bracht bijvoorbeeld een koning een munt met zijn afbeelding in omloop en gaf die een naam (gulden, pond of frank) om mensen een gevoel te geven van nationale identiteit en trots [1]. 

[1] Gouden munt Louis XV

Gouden munt Louis XV

Het idee werd verspreid dat je een landverrader zou zijn als je het geld van andere landen zou gebruiken. De Staat sprak zijn eigen monopolie op de geldproductie goed door te claimen dat de afschuwelijke vrije markt te onbetrouwbaar was om geld te kunnen produceren. Die zou de waarde van geld namelijk doen dalen, terwijl het juist omgekeerd is: elke Staat heeft in het verleden de waarde van zijn munt vernietigd (zie les 4). Door dit monopolie had de Staat dus geen concurrentie, want niemand had het recht om geld te mogen creëren. Hierdoor kon de Staat geld ongestoord manipuleren. 

Hier had de Staat twee methodes voor:

Methode 1: het dure edelmetaal vervangen door een goedkoper metaal zoals ijzer. 

Methode 2: de munt verkleinen, dus een munt omsmelten en door een kleiner exemplaar vervangen. 

Deze vorm van manipulatie bestaat al duizenden jaren. Zo manipuleerden de Romeinse keizers al het geld van het volk. Deze Romeinse munt is daar een voorbeeld van: zo had deze munt in het jaar 235 nog een gewicht van 2,65 gram zilver, terwijl dat in het jaar 269 nog maar 0,04 gram zilver was [2]. 

[2] Romeinse Antoninianus munt in grammen zilver

Romeinse Antoninianus munt

Hier zie je dezelfde dynamiek bij de livre parisis. Deze munteenheid bevatte in 1260 nog 67 gram zilver, maar dit daalde tot 3,7 gram in 1780 [3]. 

[3] Livre Parisis munt (in grammen zilver)

 Livre Parisis munt munt devaluatie

Het zilvergehalte van de Ottomaanse Akçe daalde van 0,67 gram naar 0,008 gram [4].

[4] Ottomaanse Akche munt (in grammen zilver)

Ottomaanse Akche munt devaluatie

Het zilvergehalte van de Zuid-Duitse Kreuzer daalde dan weer van iets minder dan 1,4 gram in 1380 naar 0,07 gram in 1860 [5].

[5] Süddeutsche Kreuzer (in grammen zilver)

Süddeutsche Kreuzer

Het doel hiervan was natuurlijk de machthebbers toelaten het uitgespaarde edelmetaal te gebruiken voor hun eigen doeleinden. Dit ging altijd gepaard met hogere prijzen voor het volk, omdat meer geldeenheden niet zorgen voor meer welvaart. In dit geval zorgen ze wel voor meer welvaart voor de manipulator, namelijk de Staat. In het verleden heeft de Staat/manipulator wat dat betreft nooit zijn verantwoordelijkheid opgenomen. Het was altijd de schuld van de vrije markt, hebberige zakenlui, speculanten en natuurlijk de buitenlanders. Als we dit vandaag horen, kunnen we misschien allemaal wel denken: “Frauderen met munten, wat een boeven waren die overheden in die tijd”. Maar dit gebeurt ook vandaag op grote schaal met ons geld. Maar we gebruiken nu mooie slogans zoals ‘kwantitatieve verruiming’ of ‘de economie op gang helpen’. Vandaag wordt geld uit het niets gecreëerd door het te drukken of door simpelweg wat nummertjes in een computer in te voeren. Hoe de Staat samen met bankiers geld creëert, zal ik jullie in de volgende lessen uitleggen.

We komen nu bij: Stap 2 Geld invoeren als wettig betaalmiddel

Ondanks het feit dat de machthebbers een monopolie hadden op geldproductie, was er nog een probleem: hoe kun je mensen dwingen om het door de Staat gemanipuleerde geld te gebruiken? Hiervoor werd de wetgeving op de wettige betaalmiddelen ingevoerd. Door deze wetgeving kon de Staat tot op zekere hoogte de waarde van het geld bepalen. Dit klinkt allemaal beetje abstract, maar het komt op het volgende neer: stel, je hebt een vijfguldenmunt van 3 gram goud. De Staat verlaagt de waarde van de vijfguldenmunt en maakt nu een vijfguldenmunt met 1 gram goud. Dan zouden we in de vrije markt zeggen dat die vijfguldenmunt van 3 gram goud drie keer meer waard is dan de vijfguldenmunt met 1 gram goud. Door de wetgeving op de wettige betaalmiddelen kan de Staat toch opleggen dat een vijfguldenmunt van 1 gram goud evenveel waard is als een vijfguldenmunt van 3 gram goud. Ze zijn allebei precies 5 gulden waard en vanwege de wetgeving op de wettige betaalmiddelen moet jij dat geld van de Staat gewoon accepteren. 

Stel dat jouw werkgever je betaalt met vijfguldenmunten van 1 gram goud. Dan mag jij niet zeggen: “Baas, ik wil die gulden munten niet”. In een restaurant mag de eigenaar jou ook niet verhinderen te betalen met de gedevalueerde gulden munten. Nu begrijp je misschien beter waarom het voor de Staat zo belangrijk was om geld een naam te geven (zoals gulden, pond of dollar i.p.v. eenheden goud). Zo kan niemand ooit zeggen dat een blanco gouden munt van 3 gram net zoveel waard is als een gouden munt van 1 gram. 

Je moet niet onderschatten wat voor impact deze wet had op het gebruik van geld. We hebben in les 3 en 4 gezien dat mensen het beste ruilmiddel willen gebruiken in een vrije markt. Met deze wet wordt dat allemaal omgekeerd. De Britse econoom Thomas Gresham heeft daar een belangrijke wet over gemaakt: die stelt dat door die wet op wettige betaalmiddelen slecht geld goed geld uit de markt drijft. 

Stel, jij hebt die 2 verschillende vijfguldenmunten.  Je gaat naar de markt om wat groenten te kopen. Welke vijfguldenmunt zou jij het liefst willen gebruiken? Natuurlijk de gouden munt met het minste goud erin. Als je slim bent, zal je proberen die vijfguldenmunt met 3 gram goud om te smelten om het goud te verkopen op de zwarte markt. Dat is wat Gresham bedoelde met slecht geld drijft goed geld de markt uit. Je ziet dus wat het effect is: mensen gaan het goede geld niet gebruiken, zoals ze dat in een vrije markt zouden doen. Nee, ze gebruiken het geld met de kleinste waarde.   

Dan komen we nu bij: Stap 3 Belasting innen in het staatsgeld

Zo eiste de Staat van de bevolking in de loop van de geschiedenis dat de bevolking geen belasting meer zou betalen met goud en zilver, maar alleen in het wettige betaalmiddel. Ook moesten mensen hun boekhouding bijhouden in het wettige betaalmiddel, bijvoorbeeld in gulden. Zo werd het voor mensen nog moeilijker om te denken in goud en zilver. Toen deze maatregelen werden doorgevoerd, had de bevolking hier geen enkel probleem mee. Valuta in die tijd waren namelijk omwisselbaar in goud. De bevolking had alleen geen idee wat de schade van deze maatregelen kon zijn op de langere termijn. Mensen gingen geld namelijk niet langer meer zien als een objectieve waarde uitgedrukt in grammen goud of zilver. Met objectief in deze context bedoel ik: iets wat je kunt vaststellen, wat niet beïnvloedbaar is door de persoon die het waarneemt. Bijvoorbeeld: deze vijfdollarmunt van 7,5 gram goud [6].

[6] Vijfdollarmunt van 7,5 gram goud

gouden 5 dollar munt 1909

De objectieve waarde is 7,5 gram goud: dat kun je waarnemen door de samenstelling van het metaal te bestuderen en het te wegen. Iemand kan dan wel beweren dat deze munt 1 kilo goud is, maar dat verandert niks aan het feit dat de munt 7,5 gram goud bevat. 

In het begin hadden guldens, ponden en dollars dus een onderliggende waarde in een objectieve eenheid. Maar door deze benamingen zagen we geld niet meer als een objectieve waarde. Toen de dekking van valuta door een objectieve waarde zoals goud werd opgeheven in 1971, had niemand echt door wat dit betekende. Geld had vanaf dat moment een subjectieve waarde. Als ik jou nu vraag: “Wat is 5 dollar?”. Dan antwoord jij: 5 dollar [7]. 

[7] Amerikaanse vijfdollarbilljet 

$5 Dollar Biljet

Maar het concept ‘dollar’ bestaat niet in de realiteit. Het is iets wat we hebben bedacht, een abstractie. Je kunt een dollar niet waarnemen zoals edelmetaal. Het heeft nu dus een subjectieve waarde en daardoor zijn er tegenwoordig mensen die willekeurig die waarde kunnen bepalen. Die willekeur zorgt ervoor dat geld gecreëerd kan worden uit het niets [8][9]. 

[8] Geldbasis Verenigde Staten (in miljarden $)

Geldbasis Verenigde Staten 1900

[9] Geldbasis Verenigd Koninkrijk (in miljoenen £)

Geldbasis Verenigd Koninkrijk 1800 M0

Dit heeft ervoor gezorgd dat de waarde van ons geld op niks gebaseerd is, zoals dat vroeger wel het geval was. Het gevolg is dat de Staat en bankiers hier ongelofelijk profijt uit kunnen halen zonder dat wij daar enig idee van hebben. In latere lessen zullen we echt zien wat de gevolgen hiervan zijn. Tot slot, om deze les goed af te sluiten, geef ik een opsomming van wat we deze les gezien hebben: 

  • Dat de Staat een monopolypositie heeft verworven inzake de uitgifte van geld door nationale valuta in te voeren. Hierdoor werd concurrentie door andere geldvormen uitgesloten.
  • De wetgeving inzake wettige betaalmiddelen dwingt mensen het geld van de Staat te gebruiken.
  • Door de bovengenoemde interventies zag het volk geld niet meer als een objectieve eenheid. Hierdoor kon de Staat generaties later - zonder dat het volk het doorhad - geld loskoppelen van een vaste, onderliggende waarde, met als gevolg dat de Staat samen met bankiers geld eindeloos kunnen manipuleren.

Volgende les: de geschiedenis van bankieren en hoe banken geld creëren uit het niets. 



Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.